Manifest berekening van onderhoudsbijdragen

Manifest voor een eenvoudige berekening van onderhoudsbijdragen voor kinderen.

Systeem Brees

Uitgangspunt: kosten of inkomsten?

Het berekenen van onderhoudsbijdragen op een objectieve wijze lijkt moeilijk te zijn en tal van verschillende verdienstelijke berekeningswijzen hebben ondertussen het levenslicht gezien (methode Renard, Methode Tremmery, Methode Gezinsbond, Pareto-calculator, …).

Tal van familierechters, advocaten en bemiddelaars hebben daarboven nog hun eigen systeem van berekening, hetgeen de oorspronkelijke bedoeling van de wet van 2010, met name de objectivering van de berekening, volledig ondergraaft.

Nochtans vinden alle verschillende berekeningswijzen steun in dezelfde wet en meer bepaald in de relevante artikelen:

  • artikelen 203 van het Burgerlijk Wetboek
  • artikel 1321 van het Gerechtelijk Wetboek

De overheersende stelling in de berekening gaat uit van de kosten van het kind.

De wet maakt een onderscheid tussen de gewone of gebruikelijke kosten enerzijds en de buitengewone kosten (lees alle andere kosten) anderzijds.

De volgende logische stap is dan om al deze kosten in kaart te brengen.

Dit heeft echter geleid tot het objectiveren van de kosten van een kind, in plaats van het objectiveren van de bijdragen.

De hoeveelheid aan parameters om deze kosten te bepalen zijn hinderlijk en afhankelijk van het soortelijk gewicht dat aan de diverse parameters wordt gehecht komt men tot verschillende resultaten.

Eenvoudiger is om uit te gaan van de inkomsten van de ouders in plaats van de kosten van de kinderen.

Het hoeft bijvoorbeeld weinig betoog dat het kledingbudget voor welstellende ouders een andere invulling krijgt, dan voor ouders die goed moeten uitkijken hoe ze elke euro van het gezinsbudget gaan spenderen.

Wat doen we met het groeipakket (kindergeld)?

Het kindergeld is onafhankelijk van het inkomen van de ouders.

De overheersende stelling in de berekeningswijzen is om deze fondsen te imputeren op de gewone kosten van het kind. Dit heeft dus invloed op het bedrag van de maandelijks recurrente onderhoudsbijdragen.

In de overheersende stellingen worden de buitengewone kosten dan maandelijks of trimestrieel afgerekend tussen de ouders, in functie van hun onderscheiden draagkracht.

Conflicten tussen ouders over de begroting, afrekening, betaling van deze buitengewone kosten zijn schering en inslag.

Eenvoudiger is de begroting van de gewone kosten, louter te laten afhangen van de inkomsten van de ouders, naar evenredigheid van enerzijds hun middelen en anderzijds hun bijdrage in natura (lees: de verblijfsregeling).

Het kindergeld kan dan dienen voor de buitengewone kosten.

Procenten in plaats van absolute cijfers:

De maandelijkse kost van een kind volgens leeftijd uitgedrukt in euro’s is één uitgangspunt om de uitgaven te begroten, en wordt thans het meest gehanteerd.

Eenvoudiger is het om uit te gaan van de feitelijke uitgaven aan kinderen als percentage van de totale gezinsbudget.

We nemen aan dat één kind gemiddeld 17 procent van het besteedbaar inkomen kost. Twee kinderen kosten gemiddeld 26 procent van het inkomen, drie kinderen 33 procent en vier kinderen 40 procent.

Drie percentages

In het systeem Brees  gaan we uit van drie variabelen, telkens percentages:

  1. het percentage dat iedere ouder bijdraagt in het gezinsinkomen, of de “samengestelde middelen”
  2. het percentage dat de kinderen bij iedere ouder verblijft, of de “bijdrage in natura”
  3. het percentage dat het gezinsinkomen moet reserveren voor de kinderen

In deze methode gaan we uit van de volgende assumpties:

  1. het kindergeld wordt geïmputeerd op de buitengewone kosten, en niet de gewone kosten.
  2. één kind kost gemiddeld 17 procent van de samengestelde middelen. Twee kinderen kosten gemiddeld 26 procent, drie kinderen 33 procent en vier kinderen of meer 40 procent.
De stappen in de berekening zijn de volgende:

A) berekening van de samengestelde middelen:

Dit bekomen we door het netto inkomen van vader op te tellen bij het netto inkomen van moeder.

B) berekening van het percentage uit de samengestelde middelen dat de kinderen nodig hebben van het gezinsbudget:

Dit bekomen we door het cijfer van stap 1 te vermenigvuldigen met de volgende percentages:

   17 % voor 1 kind

   26 % voor 2 kinderen

   33 % voor 3 kinderen

   40 % voor 4 kinderen

C) berekening van het percentage van iedere ouder in de samengestelde middelen:

Dit bekomen we door het netto-inkomen van ieder der ouders te delen door het bedrag aan samengestelde middelen.

D) berekening van de bijdrage in natura van ieder der ouders:

Dit bekomen we door het verblijf van de kinderen bij ieder van de ouders uit te drukken in percentages:

   0% (vader ziet de kinderen niet)

   25 % (een weekend om de veertien dagen bij vader meer de helft van de schoolvakanties)

   33% (een weekend om de veertien dagen, nog een extra dag in de week, en de helft van de schoolvakanties)

   40% (negen/vijf regeling (vijf dagen per veertien dagen bij de papa) en de helft van de schoolvakanties)

   50% (week/week regeling (of een andere vorm van gelijkmatig verdeeld verblijf)

   60% (negen/vijf maar negen dagen bij de papa, en de vakanties gedeeld bij helften)

   67% (hoofdzakelijk bij de papa, een WE om de veertien dagen bij de mama, een dag in de week en de helft van de vakanties)

   75% (hoofdzakelijk bij de papa, een weekend om de veertien dagen bij mama)

   100% (moeder ziet de kinderen niet)

E) berekening van de tussenkomst:

Dit bekomen we door het percentage van de tussenkomst in natura (in procenten), af te trekken van de bijdrage van ieder der ouders op basis van hun aandeel in de samengestelde middelen (ook in procenten).

Het resultaat is een identiek percentage cijfer voor elke ouders, maar positief voor de onderhoudsplichtige en negatief voor de onderhoudsgerechtigde.

F) Berekening van de maandelijks recurrente onderhoudsbijdrage in euro’s:

Dit bekomen we door de percentages onder E te vermenigvuldigen met de cijfers (voor 1, 2, 3, of 4 kinderen) onder B.

Resultaat: maandelijkse onderhoudsbijdrage in euro (positief cijfer voor de onderhoudsplichtige, negatief cijfer voor de onderhoudsgerechtigde) Informatie verplichting op basis van de dienstenwet, Wetboek van Economisch Recht (WER).